headerleft

Met pensioen

Gratis offerte
headerleft
Pensioenreglement  
waardeoverdracht_pensioen  
offerte pensioen  
pvf_pensioen  
Pensioensystemen  
Nederlanders_blijven_top_ING_domineren  
Inkoop_dienstjaren_met_waardeoverdracht  
premies_pensioen  
offerte lijfrente  
AOWer_krijgt_40_euro_extra_vakantiegeld  
Informatie_over_oude_polissen_en_verzekeringen  
wensen_pensioen  
Topman_Amerikaanse_dochter_Wessanen_vertrekt  
Ambulance_te_laat_door_staking  
Bijzonder_partnerpensioen  
 
 

Welkom op Met pensioen,
rubriek pensioenen_zelfstandigen

 
Gratis pensioenofferte en/of pensioenadvies

pensioenen zelfstandigen nieuws: Loonbelasting

Loonbelasting. Overgang naar Witteveenkader. Modelpensioenregelingen

Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling, domein belastingen op arbeid en vermogen

 

Besluit van 11 juni 2003, nr. CPP2003/1500M

 

De directeur-generaal Belastingdienst heeft namens de staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.

Inleiding

Vanaf 1 juni 1999 zijn nieuwe wettelijke regels van kracht geworden voor pensioenregelingen. Op grond van artikel 38b van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) dienen alle op dat moment bestaande pensioenregelingen uiterlijk op 1 juni 2004 te voldoen aan de bepalingen van Hoofdstuk IIB en artikel 38a van de Wet LB (ook wel aangeduid als het “Witteveenkader”). De afgelopen jaren zijn reeds veel pensioenregelingen al dan niet na overleg met de Belastingdienst in overeenstemming gebracht met die bepalingen. Ook heeft de Belastingdienst inmiddels al veel beschikkingen als bedoeld in artikel 19c van de Wet LB afgegeven. In deze beschikkingen beslist de inspecteur op verzoek van de inhoudingsplichtige of een regeling een pensioenregeling is in de zin van de artikelen 18a tot en met 18h van de Wet LB. Naar verwachting is een groot aantal regelingen evenwel nog niet aangepast. In situaties waarin inhoudingsplichtigen zekerheid wensen of de op 1 juni 1999 bestaande pensioenregeling voldoet aan het Wittteveenkader is het van belang dat zij verzoeken om een beschikking tijdig en ruim vóór 1 juni 2004 inzenden aan de bevoegde inspecteur. Daarbij is het van belang dat in voorkomende gevallen niet alleen de volledige pensioenregeling zelf (inclusief bijspaarmodules en excedentregelingen) maar ook de daaraan gekoppelde verzekeringsovereenkomst wordt overgelegd. In dit verband wijs ik er op dat het ook mogelijk is nu reeds een nieuwe regeling voor te leggen met als ingangsdatum 1 juni 2004.

 

De inhoud van dit besluit is afgestemd met het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Gelet op artikel 6, derde lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering geldt dit besluit ook voor de premieheffing werknemersverzekeringen.

Modelregelingen van advieskantoren

Indien een pensioen- of belastingadvieskantoor voornemens is een standaardpensioenregeling te gaan hanteren voor een groot aantal van zijn klanten kan deze modelregeling ter goedkeuring worden voorgelegd aan het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen (CAP). Ik verwijs naar het besluit van 13 april 2001 nr. CPP2001/872M. Na goedkeuring door het CAP wordt de Belastingdienst ingelicht zodat de inspecteur ingezonden regelingen die gelijk zijn aan de goedgekeurde modelregeling snel kan afhandelen.

Modellen van de Belastingdienst voor pensioenen in eigen beheer

Een groot deel van de door de Belastingdienst te beoordelen regelingen betreft pensioenrechten die door een besloten vennootschap (BV) worden toegekend aan een directeur-grootaandeelhouder (digra). De BV houdt de pensioenvoorziening doorgaans in eigen beheer. Vanuit de praktijk komen er regelmatig verzoeken om voor deze groep modelregelingen van de Belastingdienst zelf te publiceren. Ik heb besloten aan deze verzoeken tegemoet te komen.

Toelichting

De Kennisgroep Pensioenen Loonbelasting heeft vier verschillende modellen ontwikkeld. Deze modellen zijn gebaseerd op de ervaringen van de kennisgroep in de afgelopen jaren met de beoordeling van pensioenregelingen. Die ervaringen hebben geleid tot een aantal standpunten dat zich op dit moment in het stadium van omzetting naar beleidsregels bevindt. Ik heb evenwel gemeend niet te moeten wachten tot de definitieve vaststelling van die regels. De reden hiervoor is dat de praktijk op korte termijn behoefte heeft aan een handreiking die rechtszekerheid biedt. Een pensioenregeling die gelijk is aan één van de modellen is in ieder geval naar de huidige inzichten en volgens de huidige wetgeving en jurisprudentie een pensioenregeling in de zin van de Wet LB.

De modellen zijn als bijlage bij dit besluit gevoegd. De Belastingdienst zal de modellen ook publiceren op www.belastingdienst.nl.

 

Mochten de modellen op grond van gewijzigde beleidsinzichten worden gewijzigd ten nadele van belanghebbenden, dan zullen deze wijzigingen slechts voor de toekomst en na een overgangsperiode kunnen gelden. In geval van een wijziging van de wettelijke regels zullen de modellen worden aangepast met ingang van de datum van inwerkingtreding van de wetswijziging, behoudens in geval van een wetswijziging met terugwerkende kracht. De wijzigingen zullen worden gepubliceerd.

Vier modellen

De vier modellen zijn de volgende:

-     Bijlage 1. Modelpensioenovereenkomst eindloon 60 jaar, versie 5 december 2002, kenmerk: 02-098.
Dit is een model voor een pensioenregeling op eindloonbasis met een pensioendatum van 60 jaar. De overeenkomst geeft ook recht op opbouw van pensioen over incidentele beloningen via het middelloonstelsel.

-     Bijlage 2. Modelpensioenovereenkomst middelloon 60 jaar, versie 5 december 2002, kenmerk 02-099. Dit model gaat eveneens uit van een pensioendatum van 60 jaar, maar de opbouw geschiedt volledig via het middelloonstelsel.

-     Bijlage 3. Modelpensioenovereenkomst eindloon 65 jaar, versie 5 december 2002, kenmerk: 02-101.
Het voornaamste verschil met model 1 is – naast de andere pensioendatum – gelegen in de afwezigheid van een overbruggingspensioen.

-     Bijlage 4. Modelpensioenovereenkomst middelloon 65 jaar, versie 5 december 2002, kenmerk: 02-102. Ook hier is – maar dan ten opzichte van model 2 – sprake van een andere pensioendatum en van afwezigheid van een overbruggingspensioen.

Beschikking niet nodig

Indien de BV en de digra besluiten om één van deze modellen ongewijzigd te hanteren, is inzending aan de Belastingdienst voor een beschikking in de zin van artikel 19c Wet LB niet nodig. Onder wijzigingen versta ik in dit verband uiteraard niet de invulling van variabele gegevens (namen, data en dergelijke).

Inzending ongewijzigd model

Indien toch een beschikking gewenst is, is het in het belang van de BV en de digra en in het belang van de Belastingdienst dat die snel kan worden afgegeven. De toetsing door de Belastingdienst zal in dat geval globaal zijn en vooral zijn gericht op de juistheid van de variabele gegevens. Voor een vlotte afwerking is het noodzakelijk dat in de begeleidende brief bij de regeling wordt vermeld dat de regeling (behoudens die variabele gegevens) gelijk is aan één van de modelregelingen en aan welke (kenmerk). Ik wijs in dit verband ook op de eerste volzin van de slotbepaling van elk model. In die volzin verklaren de BV en de digra dat de regeling gelijk is aan het model met het desbetreffende kenmerk. De Belastingdienst kan ervan uitgaan dat een ter beoordeling ingezonden regeling volledig overeenstemt met het model indien deze volzin inclusief kenmerk in de slotbepaling is opgenomen. Omgekeerd betekent dit dat de volzin niet mag worden gebruikt indien een regeling wordt ingezonden die op één of meer punten is gewijzigd. Indien dit toch geschiedt, kunnen belanghebbenden in rechte geen beroep doen op een eventuele afgegeven beschikking van de Belastingdienst. Zij hebben dan immers onjuiste informatie verstrekt.

Inzending gewijzigd model

Als de BV en de digra wijzigingen wensen aan te brengen in de modelregeling dienen zij iedere schijn te vermijden dat het om een ongewijzigde modelregeling gaat. Dat kan door de eerste volzin van de slotbepaling uit de regeling te verwijderen en elke andere kenmerkvermelding uit de regeling te schrappen. Uiteraard kan in een begeleidende brief wel het kenmerk van één van de modellen worden vermeld tezamen met een overzicht van de in dat model aangebrachte wijzigingen en een toelichting daarop. Op deze wijze kan de behandelaar van de Belastingdienst zich snel een oordeel vormen over de aard van de wijzigingen.

Voorbehoud

De modellen zijn uitsluitend bestemd voor de loonheffing. Aan de fiscale aanvaardbaarheid van deze modellen voor de loonheffing kan derhalve geen vertrouwen worden ontleend voor de heffing van andere belastingen. Deze aanvaardbaarheid kan dus ook met name geen argument vormen bij de beantwoording van de vraag of de uitvoering van een aan één van de modellen gelijke pensioenregeling kan leiden tot een winstuitdeling of een onzakelijke last in de inkomstenbelasting of de vennootschapsbelasting. Zie voor een uitgebreide behandeling van laatstgenoemde aspecten het besluit van 31 oktober 2001, nr. CPP2001/2188M.

Toekomstige wetswijzigingen

De modellen zijn opgesteld naar de op dit moment geldende wettelijke regels. Mochten in de toekomst aanpassingen van deze wettelijke regels van kracht worden, dan zullen de modellen uiteraard worden aangepast zoals hiervoor al is aangegeven. Ondanks deze mogelijkheid van wijzigingen is het in situaties waarin inhoudingsplichtigen zekerheid wensen of hun pensioenregeling voldoet aan de huidige regels niettemin van belang, dat zij het verzoek om een beschikking ruim voor 1 juni 2004 inzenden aan de bevoegde inspecteur en derhalve niet afwachten of mogelijk nog wijzigingen van de op dit moment geldende regels van kracht worden.

 

Bijlage 1 bij besluit CPP2003-1500M

Modelpensioenovereenkomst Belastingdienst

 

Digra, eigen beheer, eindloon, 60 jaar

 

Versie 5 december 2002

 

Kenmerk 02-098

 

Pensioenovereenkomst voor digra met pensioen in eigen beheer

 

De ondergetekenden:

 

1.   …………… (naam) BV, fiscaal nummer ………………………, gevestigd te …………………. (vestigingsplaats), hierna te noemen “werkgever”, hierbij vertegenwoordigd door haar bestuurder, de heer/mevrouw …………….(naam);

 

en

 

2.   de heer/mevrouw …………………..(naam), SoFinummer ………………., geboren in ……………. (geboorteplaats), op .. …………… 19..(geboortedatum), wonende te ………………….(woonplaats), hierna te noemen “werknemer”,

 

verklaren dat zij, in aanvulling op de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst, onder de hierna genoemde voorwaarden een pensioenovereenkomst hebben gesloten.

Artikel 1 Definities

a.   Pensioendatum: de eerste dag van de maand waarin werknemer de 60-jarige leeftijd bereikt (1 …………… ….) (datum).

b.   Partner:

-     de persoon waarmee werknemer is gehuwd (echtgenoot);

-     de persoon waarmee werknemer een geregistreerd partnerschap als bedoeld in het Burgerlijk Wetboek heeft gesloten (geregistreerde partner);

-     de ongehuwde persoon, niet zijnde een bloed- of aanverwant in de eerste graad, met wie werknemer duurzaam een gezamenlijke huishouding voert.

c.   Kind: het eigen kind of pleegkind van werknemer dat de leeftijd van 30 jaar nog niet heeft bereikt.

d.   WAZ: Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen.

e.   Franchise: 100/70 van de uitkeringen voor een ongehuwde persoon als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a, en vijfde lid, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet, vermeerderd met de vakantie-uitkering.

f.    AOW: Algemene ouderdomswet.

g.   ANW: Algemene nabestaandenwet.

h.   PSW: Pensioen- en spaarfondsenwet.

i.    Wet LB: Wet op de loonbelasting 1964.

j.    UBLB: Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965.

Artikel 2 Pensioenaanspraken

a. Ouderdomspensioen

Werknemer heeft aanspraak op een levenslang ouderdomspensioen dat ingaat op pensioendatum.

b. Nabestaandenpensioen

Werknemer heeft ten behoeve van zijn partner aanspraak op een nabestaandenpensioen dat ingaat direct na het overlijden van werknemer. Er bestaat slechts aanspraak op nabestaandenpensioen indien er tijdens de dienstbetrekking met werkgever daadwerkelijk een persoon is die voldoet aan de in artikel 1, onderdeel b, opgenomen omschrijving van een partner.

 

Het nabestaandenpensioen wordt uitgekeerd tot de datum van overlijden van de partner.

c. Wezenpensioen

Werknemer heeft ten behoeve van ieder van zijn kinderen aanspraak op een wezenpensioen dat ingaat direct na het overlijden van werknemer. Er bestaat slechts aanspraak op wezenpensioen voor tijdens de dienstbetrekking met werkgever daadwerkelijk aanwezige kinderen die voldoen aan de in artikel 1, onderdeel c, opgenomen omschrijving van een kind.

 

Het wezenpensioen eindigt op de 30ste verjaardag van het kind of bij eerder overlijden van het kind.

d. Tijdelijk ouderdomspensioen (overbruggingspensioen)

Werknemer heeft aanspraak op een tijdelijk ouderdomspensioen dat ingaat op pensioendatum en dat eindigt in de maand voorafgaand aan de maand waarin werknemer de 65-jarige leeftijd bereikt of bij eerder overlijden van werknemer.

e. Nabestaandenoverbruggingspensioen

Werknemer heeft ten behoeve van zijn partner aanspraak op een nabestaandenoverbruggingspensioen dat ingaat direct na het overlijden van werknemer en dat eindigt in de maand voorafgaand aan de maand waarin de partner de 65-jarige leeftijd bereikt of bij eerder overlijden van de partner.

f. Voortgezette pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid

Over een periode van arbeidsongeschiktheid wordt de pensioenopbouw voortgezet, mits werknemer in die periode een inkomensvervangende, loongerelateerde uitkering ontvangt. Voor de mate van arbeidsongeschiktheid wordt aangesloten bij het voor de WAZ vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage. Bij de voortgezette pensioenopbouw wordt uitgegaan van het vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage en het maandloon dat van toepassing is op het moment dat werknemer arbeidsongeschikt wordt. Bij wijzigingen in de mate van arbeidsongeschiktheid wordt de omvang van de voortgezette pensioenopbouw naar rato aangepast.

 

De voortgezette pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid wordt beëindigd op de feitelijke ingangsdatum van het ouderdomspensioen, maar uiterlijk op de in artikel 1, onderdeel a, vastgestelde pensioendatum.

g. Arbeidsongeschiktheidspensioen

Indien werknemer langer dan een jaar arbeidsongeschikt is en in aanmerking komt voor een uitkering krachtens de WAZ, heeft werknemer aanspraak op een arbeidsongeschiktheidspensioen. Bij wijzigingen in de mate van arbeidsongeschiktheid wordt de omvang van het arbeidsongeschiktheidspensioen naar rato aangepast.

 

Het arbeidsongeschiktheidspensioen wordt uitgekeerd tot de feitelijke ingangsdatum van het ouderdomspensioen, maar uiterlijk tot de in artikel 1, onderdeel a, vastgestelde pensioendatum.

Artikel 3 Pensioengrondslag

Voor de opbouw van de pensioenaanspraken wordt uitgegaan van de pensioengrondslag. De pensioengrondslag wordt vastgesteld op de ingangsdatum van deze overeenkomst en daarna per 1 januari van elk kalenderjaar. Bij het vaststellen van de pensioengrondslag wordt geen rekening gehouden met loonbestanddelen in natura.

 

De pensioengrondslag is samengesteld uit de basispensioengrondslag en de variabele pensioengrondslag.

a. Basispensioengrondslag

De basispensioengrondslag is gelijk aan het pensioengevend loon van werknemer verminderd met de franchise. Onder pensioengevend loon wordt verstaan 12 maal het vaste maandloon zoals van toepassing op het moment dat de pensioengrondslag wordt vastgesteld, vermeerderd met vakantietoeslag en het schriftelijk met werkgever overeengekomen gegarandeerde tantième.

 

Loonstijgingen gedurende de vijf jaren voorafgaande aan pensioendatum worden bij het vaststellen van de basispensioengrondslag in aanmerking genomen tot ten hoogste 2 percent boven de gemiddelde loonindex voor de CAO-lonen per maand, inclusief bijzondere beloningen, zoals berekend door het Centraal Bureau voor de Statistiek met dien verstande dat in elk geval in aanmerking komen loonstijgingen als gevolg van gangbare functiewijzigingen of gangbare leeftijdsperiodieken.

 

Bij verlaging van het pensioengevend loon in de periode van 10 jaar direct voorafgaand aan de in de pensioenregeling vastgestelde pensioendatum als gevolg van het vervullen van een lager gekwalificeerde functie, of in geval van het vervullen van een deeltijdfunctie van niet minder dan 50% van een voltijdfunctie, wordt de opbouw van het pensioen voortgezet over het eerder genoten hogere pensioengevend loon.

 

Verlagingen van het pensioengevend loon hebben geen gevolgen voor de reeds opgebouwde pensioenrechten.

b. Variabele pensioengrondslag

De variabele pensioengrondslag bestaat uit de variabele loonbestanddelen die niet tot de basispensioengrondslag worden gerekend, zoals bijvoorbeeld een variabel tantième, provisie en toeslagen. Indien de basispensioengrondslag negatief is, wordt het niet verrekende gedeelte van de franchise in mindering gebracht op de variabele pensioengrondslag.

Artikel 4 Dienstjaren

Als perioden die meetellen als dienstjaren dan wel als diensttijd worden in aanmerking genomen:

a.   de periode gedurende welke de dienstbetrekking heeft geduurd, daaronder begrepen perioden van - al dan niet in deeltijd -:

1.   ouderschapsverlof als bedoeld in artikel 644 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;

2.   sabbatsverlof krachtens een schriftelijk vastgelegde regeling van werkgever gedurende ten hoogste twaalf maanden;

3.   studieverlof voor cursussen, voor opleidingen of studie voor een beroep, voor het op peil houden van de vakkennis en voor cursussen, opleidingen of studie die door werkgever worden gefinancierd;

4.   verlof als bedoeld in artikel 7:1 en volgende van de Wet arbeid en zorg gedurende ten hoogste achttien maanden;

met dien verstande dat bij dienstbetrekkingen in deeltijd de aldus in aanmerking te nemen periode wordt verminderd overeenkomstig de deeltijdfactor.

b.   perioden gedurende welke werknemer in dienstbetrekking heeft gestaan tot een met werkgever verbonden lichaam als bedoeld in artikel 10a, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, dat niet in Nederland is gevestigd, voorzover hij/zij bij dat verbonden lichaam niet heeft deelgenomen aan een pensioenregeling;

c.   perioden gedurende welke, in aansluiting op de in de onderdelen a en b bedoelde perioden, na onvrijwillig ontslag inkomensvervangende, loongerelateerde uitkeringen worden ontvangen;

d.   dienstjaren ten gevolge van waardeoverdracht van pensioenkapitaal, als bedoeld in de artikelen 32, vierde lid, 32a of 32b van de PSW, naar de huidige werkgever of de pensioenuitvoerder van de huidige werkgever;

e.   perioden waarin werknemer een tot zijn huishouden behorend kind heeft verzorgd dat de leeftijd van twaalf jaar niet heeft bereikt, met dien verstande dat de perioden waarin de kinderen die werknemer heeft verzorgd de leeftijd van zes jaar hebben bereikt, meetellen voor de helft. Bij dienstbetrekkingen in deeltijd wordt de aldus in aanmerking te nemen periode verminderd overeenkomstig de deeltijdfactor.

Artikel 5 Omvang van de pensioenen

De hierna omschreven omvang van de pensioenen is uitsluitend van toepassing indien werknemer tot pensioendatum onafgebroken in dienst van werkgever is geweest dan wel de pensioenopbouw onafgebroken tot pensioendatum heeft voortgezet overeenkomstig de mogelijkheden die deze overeenkomst daartoe biedt. Indien werknemer is overleden voor de pensioendatum geldt de omschreven omvang van het nabestaandenpensioen of wezenpensioen slechts indien werknemer tot het moment van overlijden in dienst van werkgever is geweest. De pensioenen worden tijdsevenredig opgebouwd.

 

Indien het overeengekomen aantal arbeidsuren per week lager is dan het bij werkgever voor een volledig dienstverband gebruikelijke aantal arbeidsuren, wordt het pensioen naar evenredigheid opgebouwd.

 

De in deze regeling voor het ouderdomspensioen opgenomen maxima moeten worden opgevat inclusief per dienstjaar 1/35 deel van de AOW-uitkering die voor het bepalen van de franchise in aanmerking is genomen. Voor het nabestaandenpensioen en wezenpensioen wordt rekening gehouden met respectievelijk 70% en 14% (voor een volle wees: 28%) van dit bedrag per dienstjaar.

a. Omvang van het ouderdomspensioen

Over de laatst vastgestelde basispensioengrondslag bouwt werknemer op basis van het eindloonstelsel een ouderdomspensioen op ter grootte van: het aantal dienstjaren dat op basis van de artikelen 4, 16 en 17 voor de pensioenopbouw in aanmerking kan worden genomen vermenigvuldigd met 2%. Over de in een jaar genoten variabele pensioengrondslag wordt op basis van het middelloonstelsel 2,25% ouderdomspensioen opgebouwd.

 

Het jaarlijks uit te keren ouderdomspensioen is gelijk aan het over de basispensioengrondslag opgebouwde ouderdomspensioen vermeerderd met het over de variabele pensioengrondslagen opgebouwde ouderdomspensioen.

 

Het ouderdomspensioen bedraagt maximaal 100% van het pensioengevend loon.

b. Omvang van het nabestaandenpensioen

Het nabestaandenpensioen bedraagt 70% van het ouderdomspensioen. Indien werknemer overlijdt voor de pensioendatum wordt voor het nabestaandenpensioen uitgegaan van het ouderdomspensioen dat opgebouwd had kunnen worden bij een ongewijzigde voortzetting van de dienstbetrekking tot pensioendatum en het pensioengevend loon dat werknemer binnen de vastgestelde loopbaanontwikkeling in zijn functie zou hebben kunnen bereiken.

 

Het nabestaandenpensioen bedraagt maximaal 70% van het pensioengevend loon.

 

De rechten op nabestaandenpensioen worden verminderd met de op basis van artikel 11 aan de gewezen partner toekomende premievrije aanspraken op nabestaandenpensioen.

c. Omvang van het wezenpensioen

Het wezenpensioen bedraagt voor ieder kind 14% van het ouderdomspensioen. Na het overlijden van beide ouders van het kind wordt het wezenpensioen verdubbeld.

 

Indien werknemer overlijdt voor pensioendatum wordt voor het wezenpensioen uitgegaan van het ouderdomspensioen dat opgebouwd had kunnen worden bij een ongewijzigde voortzetting van de dienstbetrekking tot de pensioendatum en het pensioengevend loon dat werknemer binnen de vastgestelde loopbaanontwikkeling in zijn functie zou hebben kunnen bereiken.

 

Het wezenpensioen bedraagt maximaal 14% (voor een volle wees: 28%) van het pensioengevend loon.

d. Omvang van het tijdelijk ouderdomspensioen

Het tijdelijk ouderdomspensioen bestaat uit het bij de opbouw van het ouderdomspensioen ingebouwde AOW-bedrag, verhoogd met een premiecompensatie. Deze premiecompensatie is gelijk aan het verschil in verschuldigde premie voor de volksverzekeringen over het ouderdomspensioen voor en na de 65-jarige leeftijd. De premiecompensatie zal worden gebruteerd indien en voorzover het netto pensioeninkomen van werknemer vóór het bereiken van de 65-jarige leeftijd lager is dan na de 65-jarige leeftijd.

 

Het tijdelijk ouderdomspensioen wordt direct voorafgaand aan de pensioendatum opgebouwd. Over ieder op basis van artikel 4, artikel 16, of artikel 17 in aanmerking te nemen dienstjaar wordt een tijdsevenredig gedeelte van het tijdelijk ouderdomspensioen opgebouwd, met dien verstande dat het opbouwpercentage per dienstjaar ten hoogste 10% bedraagt.

e. Omvang van het nabestaandenoverbruggingspensioen

Het nabestaandenoverbruggingspensioen bestaat uit het gezamenlijke bedrag van 8/7 maal de nominale uitkering ingevolge de ANW, vermeerderd met de vakantie-uitkering, verhoogd met premiecompensatie. De premiecompensatie is gelijk aan het verschil in verschuldigde premie voor de volksverzekeringen over het nabestaandenpensioen voor en na de 65-jarige leeftijd. De premiecompensatie zal worden gebruteerd indien en voorzover het netto pensioeninkomen van de partner vóór het bereiken van de 65-jarige leeftijd lager is dan na de 65-jarige leeftijd.

f. Omvang van het arbeidsongeschiktheidspensioen

Het arbeidsongeschiktheidspensioen per jaar bedraagt bij een arbeidsongeschiktheidspercentage van:

 

-     80% of meer

: 100% van de grondslag voor het arbeidsongeschiktheidspensioen;

-     65%-80%

: 72,5% van de grondslag voor het arbeidsongeschiktheidspensioen;

-     55%-65%

: 60% van de grondslag voor het arbeidsongeschiktheidspensioen;

-     45%-55%

: 50% van de grondslag voor het arbeidsongeschiktheidspensioen;

-     35%-45%

: 40% van de grondslag voor het arbeidsongeschiktheidspensioen;

-     25%-35%

: 30% van de grondslag voor het arbeidsongeschiktheidspensioen;

-     15%-25%

: 20% van de grondslag voor het arbeidsongeschiktheidspensioen.

 

De grondslag voor het arbeidsongeschiktheidspensioen is gelijk aan het 12 maal het vaste maandloon dat van toepassing is op het moment dat werknemer arbeidsongeschikt wordt, verhoogd met 8% vakantie-uitkering.

 

De door werknemer uit hoofde van de WAZ en andere arbeidsongeschiktheidsvoorzieningen te ontvangen uitkeringen worden in mindering gebracht op het arbeidsongeschiktheidspensioen.

 

Gedurende het eerste jaar van de arbeidsongeschiktheid worden de te ontvangen uitkeringen aangevuld tot 100% van het vaste maandloon op het moment dat werknemer arbeidsongeschikt wordt.

Artikel 6 Uitkering van de pensioenen

De pensioenen worden in gelijke maandelijkse termijnen bij achterafbetaling uitgekeerd.

Artikel 7 Indexering van de pensioenen

De pensioenen zullen na ingang zoveel mogelijk waarde- of welvaartsvast worden gehouden. Voor het indexeren van de pensioenen zal worden uitgegaan van een door het Centraal Bureau voor de Statistiek periodiek gepubliceerd indexcijfer. Uiterlijk op de ingangsdatum van het pensioen zal door werkgever worden beslist welk indexcijfer voor de uitkeringsperiode bepalend zal zijn voor het indexeren van de pensioenen.

 

Voorzover dit het gevolg is van de indexering mogen het ouderdomspensioen, nabestaandenpensioen en wezenpensioen meer bedragen dan respectievelijk 100%, 70% en 14% (voor een volle wees: 28%) van het pensioengevend loon.

Artikel 8 Inbouw elders verzekerde pensioenen

De door werknemer tijdens de voor de pensioenopbouw in aanmerking te nemen dienstjaren elders (bijvoorbeeld in verplicht gestelde bedrijfs- of beroepspensioenregelingen) opgebouwde pensioenen worden in mindering gebracht op de uit hoofde van deze pensioenovereenkomst opgebouwde pensioenen.

Artikel 9 Beëindiging van de dienstbetrekking voor pensioendatum

a.   Indien de pensioenopbouw anders dan door overlijden vóór pensioendatum wordt stopgezet, verkrijgt werknemer een premievrije aanspraak op evenredig ouderdomspensioen en tijdelijk ouderdomspensioen als bepaald in artikel 8 van de PSW. Werknemer zal tenminste een tijdsevenredige aanspraak op ouderdomspensioen en tijdelijk ouderdomspensioen ontvangen.

 

b.   De partner van werknemer ontvangt een premievrije aanspraak op nabestaandenpensioen, waarvan de hoogte door de uitvoerder van de regeling naar redelijkheid zal worden bepaald.

Artikel 10 Waardeoverdracht

a.   Indien werknemer na het beëindigen van de dienstbetrekking een nieuwe dienstbetrekking aangaat bij een andere werkgever, heeft werknemer het recht om de waarde van de bij werkgever opgebouwde pensioenaanspraken over te laten dragen naar de pensioenuitvoerder van de nieuwe werkgever. Werknemer zal hiertoe binnen twee maanden na deelname aan de pensioenregeling van de nieuwe we
Voor meer informatie over pensioenen zelfstandigen adviseren wij u de site: aanvullend pensioen te bezoeken.

pensioenen zelfstandigen nieuws

Inkomstenbelasting1.1 Eigen woning regeling
Met ingang van 1 januari 2005 is er een wijziging in het eigen woning forfait van toepassing. De bijtelling van de huurwaarde op uw inkomen wordt met ingang van 1 januari 2005 gemaximeerd tot de betaalde hypotheekrente. Indien u dus geen hypotheekschuld heeft is de bijtelling ook nihil. Voor belastingplichtigen waarbij de hypotheekrente niet tot substantiële aftrek leidt kan het voordelig zijn om de hypotheekschuld af te lossen. Indien u ultimo 2004 hypotheekschuld aflost, vermindert dit het vermogen in box III en bespaart u de vermogens rendementsheffing over het afgeloste bedrag. Raadpleeg uw adviseur alvorens tot aflossing over te gaan, eenmaal afgelost maakt het moeilijk om nog aftrek te krijgen als rente eigen woning. Mocht u besluiten dat aflossen inderdaad interessant voor u is maak dan gebruik van de mogelijkheden om jaarlijks boetevrij af te lossen.1.2 Giften
Een gift in de vorm van een periodieke uitkering aan een instelling die het algemeen nut beoogt, is voordeliger dan andere giften. Op zo'n gift is de drempel die de aftrek beperkt niet van toepassing. Voorwaarde is dat een notariële schenkingsakte wordt opgemaakt en dat de looptijd minimaal 5 jaar bedraagt. De drempel voor aftrek van giften bedraagt 1% van uw inkomen met een minimum van 60 euro. Indien u jaarlijks nauwelijks aan de drempel toekomt verdient het de voorkeur om de schenkingen van meerdere jaren te bundelen.1.3 Buitengewone uitgaven
Het kan voordelig zijn buitengewone uitgaven vooruit te betalen, of de lasten te nemen in het jaar dat u tezamen met andere kosten de drempel voor ziektekosten overschrijdt. Te denken valt aan de aanschaf van een bril, een laserbehandeling aan uw ogen of tandartskosten voor u of uw kinderen. Als u per 1 januari 2005 uit het ziekenfonds gaat verdient het aanbeveling de premie voor de ziektekostenverzekering alvast vooruit te betalen. Deze behoort dan met de ziekenfondspremie tot de buitengewone lasten voor 2004. In andere gevallen leidt vooruitbetaling niet tot aftrek.1.4 Dividend
Het dividend voor een directeur-grootaandeelhouder wordt belast tegen het tarief van 25%. Het kan verstandig zijn om begin 2005 dividend uit te keren en het geld in privé te gaan beleggen. Bespreek de financiële planning met uw adviseur teneinde een optimale beloning- en beleggingsstructuur te creëren.1.5 Investeringen
Om optimaal van de investeringsaftrek en de energie-investeringsaftrek gebruik te maken, is het van belang de investeringsplannen voor de jaren 2004 en 2005 in ogenschouw te nemen. Voor starters kan het interessant zijn om gebruik te maken van de willekeurige afschrijving op bedrijfsmiddelen. Dit kan gedurende de eerste drie jaren dat de ondernemer recht heeft op zelfstandigenaftrek. Bekijk of u in aanmerking komt voor willekeurige afschrijving. Dit houdt in dat u bedrijfsmiddelen niet af hoeft te schrijven over de economische levensduur maar de afschrijving willekeurig in kunt vullen. Willekeurige afschrijving kan worden toegepast bij verwerving, verbetering of voortbrenging van aangewezen bedrijfsmiddelen van de volgende categorieën:
bedrijfsmiddelen die in het belang zijn van de bescherming van het Nederlands Milieu,
bedrijfsmiddelen die in het belang zijn van de arbeidsomstandigheden,
bedrijfsmiddelen die zijn aangeschaft door een startende ondernemer,
zeeschepen die op de in de wet voorgeschreven wijze worden geëxploiteerd.
1.6 Lijfrentepremies
Voor iedere belastingplichtige jonger dan 65 jaar met een pensioentekort geldt een jaarruimte van 17% van de premiegrondslag. De veelal ingewikkelde berekening van de jaarruimte kan pas na het einde van het jaar worden gemaakt. Deze premie is daarom aftrekbaar in 2004 indien deze wordt gestort in de eerste 3 maanden van 2005. Bij staking van de onderneming is het mogelijk om een lijfrentepremie te storten ten laste van de stakingswinst. Dit dient binnen 6 maanden na afloop van het moment van staken te geschieden. De niet benutte jaarruimte van de afgelopen 7 jaar, de zogenaamde reserveringsruimte, kan eveneens worden benut. Hiervoor geldt als maximaal aftrekbaar bedrag 17% van de premiegrondslag met een maximum van 6.097 euro (12.045 euro indien belastingplichtige bij aanvang van het jaar 55 jaar of ouder is). Voor aftrek in 2004 dient de premie uiterlijk op 30 juni 2005 te zijn betaald.Indien u lijfrentepolissen van voor de brede herwaardering (1992) bezit, kan het voordelig zijn de termijnen van lijfrente te schenken aan uw meerderjarige kinderen. Mits op de juiste wijze vastgelegd kan ook het schenkingsrecht worden voorkomen. Neem tijdig contact op met uw adviseur.1.7 Staking van de onderneming
Ondernemers die stoppen met hun onderneming hebben voor de met de staking behaalde winst recht op stakingsaftrek. Met de invoering van de Wet Inkomstenbelasting 2001 is de stakingsaftrek sterk verlaagd. De verlaging wordt bereikt via een overgangsregeling welke inhoudt dat gedurende 5 jaar het niveau van 2000 wordt verlaagd naar het uiteindelijke niveau van de stakingsaftrek ad 3.630 euro. Indien u voornemens bent uw onderneming te staken is het wellicht raadzaam dit voor 1 januari 2005 te doen.1.8 Arbeidsbeloning
Voor een ondernemer (onderworpen aan inkomstenbelasting) kan het interessant zijn aan de meewerkende echtgeno(o)t(e) een reële arbeidsbeloning te geven of gebruik te maken van de meewerkaftrek. Indien de arbeidsbeloning minder dan 5.000 euro bedraagt, kan geen aftrek plaatsvinden. De hoogte van de beloning dient in verhouding te staan tot de geleverde arbeidsprestatie.1.9 Vermogensrendementsheffing
Sinds 1 januari 2001 bent u over het gemiddelde vermogen in box III (sparen en beleggen) 30% belasting verschuldigd over 4% fictief rendement. Het gemiddelde vermogen wordt berekend op basis van de standen per 1 januari 2004 en 31 december 2004. De grondslag voor de heffing kunt u verlagen door vóór 31 december vermogen vanuit box III naar box I (werk en woning -eigen woning of aan de onderneming ter beschikking gesteld vermogen-) of box II (aanmerkelijk belang) over te hevelen, of door ná 31 december van box I/box II naar box III over te hevelen.Voorbeelden.
Verkoop van de eigen woning net ná 31 december.
Uitkeren van dividend net na 31 december.
Financiering van de eigen onderneming vóór 31 december.
Aankoop van vrijgestelde beleggingen vóór 31 december.
Aflossen van vorderingen van uw vennootschap of het terugbetalen van schulden van uw vennootschap aan uzelf vóór 31 december.
1.10 Beleggingen
Indien uw inkomen in 2004 in de hoogste tariefschijf valt en u in aanmerking komt voor (milieu- en/of energie-) investeringsaftrek, kan het interessant zijn om deel te nemen in een film-, scheepvaart- of windmolen-cv. Door de fiscale faciliteiten van deze investeringen heeft u een aanzienlijk belastingvoordeel in het jaar van investeren waardoor het rendement boven het niveau van de marktrente kan stijgen. Ook kunt u gebruik maken van de extra vrijstelling en heffingskorting voor groene beleggingen en sociaal ethische beleggingen. Op deze beleggingen krijgt u een extra heffingskorting van 1,3% en de beleggingen zijn tot een bedrag van 50.185 euro vrijgesteld van de vermogensrendementsheffing. Voor leningen aan startende bedrijven geldt dezelfde regeling; vrijstelling voor de vermogens-rendementsheffing tot 50.185 euro en 1,3% extra heffingskorting. Bovendien mag een verlies op de lening worden afgetrokken van uw inkomen in box I tot maximaal 50.185 euro per belastingplichtige. De regeling geldt ook voor aangewezen participatiefondsen.1.11 Aanmerkelijk belangverliezen
Indien u voornemens bent een aanmerkelijk belangpakket te verkopen waar een verlies op geleden wordt, kan het van belang zijn om dit vóór 31 december te doen. Het verlies uit aanmerkelijk belang is verrekenbaar met winsten uit een aanmerkelijk belang uit drie voorgaande jaren en met toekomstige winsten uit een aanmerkelijk belang. Heeft u geen aanmerkelijk belangwinst meer te verwachten dan krijgt u 25% belasting over het verlies in mindering op het in box I te betalen belastingbedrag. Deze verrekening krijgt u pas in het tweede jaar nadat u geen aanmerkelijk belang meer heeft.Loonbelasting1.12 Geschenkenregeling
In 2003 is de feestdagenregeling, de mogelijkheid om belastingvrij een geschenk aan het personeel te geven, vervallen. Er bestaat nog steeds de mogelijkheid om in natura te schenken aan uw werknemer en de loonbelasting als eindheffing voor uw rekening te nemen. Er zijn dan geen premies werknemersverzekeringen verschuldigd. De schenking dient ter gelegenheid van een persoonlijke feestdag van een werknemer te geschieden en mag niet meer bedragen dan 136 euro per keer en 272 euro per jaar. De regeling geldt niet voor geschenken in de vorm van geld. Deze worden als loon aangemerkt. Tevens is er de mogelijkheid om tegen eindheffing van 15% één geschenk te geven ter gelegenheid van een feestdag/Sint. De waarde van het geschenk mag maximaal 35 euro bedragen.1.13 Vergoedingen aan werknemers
Voor (deels) onbelaste vergoedingen aan uw werknemer komen in aanmerking:
De aanschaf van een fiets voor woon-werkverkeer tot een maximaal bedrag van 749 euro. Van deze regeling mag één keer per 3 jaar gebruik worden gemaakt.
De kilometers woon-werkverkeer tot een bedrag van 0,18 euro per kilometer.
De kosten van een internetaansluiting. Indien deze aansluiting voor tenminste 10% zakelijk wordt gebruikt zijn de zakelijke kosten onbelast te vergoeden; indien het gebruik voor 90% of meer zakelijk is dan mogen alle kosten onbelast worden vergoed. Bij een zakelijk gebruik tussen de 10% en 90% mogen 50% van de kosten van het ADSL-abonnement en 100% van de kosten van het provider gedeelte worden vergoed.
De kosten van een mobiel telefoonabonnement.
De kosten van studie van de werknemer die deze verricht om (meer) inkomen uit werk te verwerven. Tot de studiekosten worden gerekend de kosten van les-, inschrijf- en examengelden, de kosten van studieboeken en lesmateriaal en reiskosten tot een maximum van 0,18 euro per kilometer.
Bijzondere ziektekosten. Dit zijn kosten die niet onder vergoeding van de ziekenfondsverzekering of AWBZ vallen.
De diensttijdvrijstelling. Werknemers die tenminste 25 jaar in dienst zijn mogen maximaal 1 maandsalaris belastingvrij ontvangen. Een tweede belastingvrije uitkering is mogelijk bij het verstrijken van het 40-jarig dienstjubileum.
De vergoeding van computerapparatuur is vervallen.
1.14 Aandelenoptieregelingen
Als u overweegt om opties op aandelen te verstrekken aan uw personeel bespreek dan het moment van toekennen van de opties met uw adviseur. Met ingang van 1 januari 2005 worden voordelen uit opties belast op het moment van uitoefenen van de optie. Dit impliceert ook dat de werkelijke waarde wordt belast bij beursgenoteerde ondernemingen. Voor niet beursgenoteerde aandelen geldt een forfaitaire waarderingsregel waartegen opties worden belast. Tot en met 31 december 2004 geldt als moment van belastingheffing het moment waarop de opties onvoorwaardelijk worden genoten. Indien de rechten binnen 3 jaar worden uitgeoefend of vervreemd geldt bovendien een aanvullende heffing.1.15 Bedrijfsspaarregeling
Mits vóór 31 december 2004 de bedragen zijn gestort bij een spaarinstelling kan nog de volledige vrijstelling worden benut van de brutoloonspaarregeling. De spaarregeling geldt niet voor de alleen werkende directeur-grootaandeelhouder (DGA) en diens meewerkende echtgenote die tenminste éénderde van het aandelenkapitaal in hun bezit hebben, maar wel als er personeel in de onderneming werkt en de regeling aan het gehele personeel wordt aangeboden of een homogeen deel van het personeel.1.16 Salarissen
Bij het vaststellen van salarissen voor uw werknemers per 1 januari 2005 kan het van belang zijn rekening te houden met de grenzen die gelden voor de afdrachtvermindering lage lonen. De afdrachtvermindering lage lonen geldt met ingang van 1 januari 2003 uitsluitend nog voor werknemers van 23 jaar en ouder die minder verdienen dan 115% van het minimumloon.1.17 Salaris DGA
Het salaris van de directeur-grootaandeelhouder voor 2004 en 2005 moet u vaststellen. U dient hierbij rekening te houden met de fictieve inkomensregeling voor de directeur-grootaandeelhouder. Het fictieve salaris bedraagt voor 2004 38.118 euro. Een lager salaris uitbetalen kan uitsluitend indien u hiervoor goede motieven heeft. De belastingdienst kan aantonen dat het gebruikelijke salaris hoger is en het vastgestelde salaris corrigeren. Het feitelijke salaris van de directeur-grootaandeelhouder beïnvloedt direct het in eigen beheer opgebouwde pensioen. Vennootschapsbelasting1.18 Pensioen
Met ingang van 1 juni 2004 dienen pensioenregelingen te voldoen aan de voorwaarden zoals vermeld in de Wet fiscale behandeling van pensioenen. Het niet voldoen aan de wet heeft tot gevolg dat bestaande pensioenaanspraken worden belast in de loon- en inkomstenbelasting en dat vanaf dit tijdstip opgebouwde pensioenaanspraken bij het ontstaan worden belast. Met ingang van 2005 wordt het fiscaal onaantrekkelijk om prepensioen en VUT-regelingen af te sluiten. Zoals het er ten tijde van dit schrijven naar uitziet wordt de premie niet meer belast in het jaar van uitkeren maar in het jaar van de besparing. Ga na of u vóór 31 december 2004 nog wijzigingen aan dient te brengen in de VUT- of prepensioenregeling voor u en uw medewerkers. Overleg met uw adviseur is gewenst. Namens het kabinet is een nota van wijziging ingediend, die een verruiming van het overgangsrecht voor de fiscale behandeling van VUT- en prepensioenregelingen inhoudt. De aanvankelijk opgenomen leeftijdsgrens van 57 jaar wordt verlaagd naar 55 jaar. Dit betekent dat de huidige VUT-, respectievelijk prepensioenregeling ná 1 januari 2006 in stand blijft voor werknemers die op 1 januari 2005 55 jaar of ouder zijn en voor werknemers die vóór 1 januari 2006 al één of meer uitkeringen hebben ontvangen. Voor werknemers die op 1 januari 2005 55 jaar of ouder zijn kan de opbouw van hun ouderdomspensioen en overbruggingspensioen zonder fiscale consequenties worden voortgezet. Het oorspronkelijke wetsontwerp voor de levensloopregeling is ingetrokken, daar dit inmiddels is opgenomen in het wetsvoorstel voor aanpassing van de fiscale behandeling van VUT en prepensioen.1.19 Voorzieningen en reserves
Stel vast of het mogelijk is een voorziening te vormen voor toekomstige uitgaven, zoals:
claims uit hoofde van lopende processen,
ten behoeve van een reorganisatie,
pensioenverplichtingen,
garantieverplichtingen,
milieuschade.
Een voorziening mag worden gevormd indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
de oorsprong van de te vormen voorziening ligt voor de balansdatum,
de uitgaven dienen volgens bedrijfseconomische inzichten aan dit jaar te worden toegerekend,
er bestaat een redelijke mate van zekerheid dat de uitgaven waarvoor de voorziening wordt gevormd zich zullen voordoen.
Indien kosten, opgeroepen door de bedrijfsuitoefening, ongelijkmatig over de jaren worden verdeeld is het wellicht mogelijk een kosten egalisatiereserve te vormen. Als voorbeelden gelden de kosten van groot onderhoud en de kosten van VUT-uitkeringen.Heeft u in het verleden een herinvesteringsreserve gevormd ga dan tijdig over tot herinvesteren. Als er aan het einde van het derde jaar na de vorming van de reserve nog niet is geherinvesteerd dan valt de reserve, of het restant daarvan, vrij ten gunste van het resultaat.1.20 Fiscale eenheid
Een deelneming van minimaal 95% in een binnenlandse dochtermaatschappij kan worden opgenomen in een zogenaamde fiscale eenheid. Het gevolg is dat de dochtermaatschappij voor de vennootschapsbelasting niet zelfstandig in de heffing betrokken wordt. Winsten en verliezen van moeder en dochter worden belast bij de moeder. Dit kan zowel positief als negatief uitpakken. Positief is dat winsten van de een worden verrekend met verliezen van de ander en dat onderlinge transacties geen invloed hebben op het fiscale resultaat. Negatief is dat slechts eenmaal gebruik wordt gemaakt van het opstaptarief in de vennootschapsbelasting en dat investeringen van beide ondernemingen bij elkaar worden geteld. Hierdoor is de kans groot dat u minder investeringsaftrek geniet. Tevens is een nadeel dat beide ondernemingen aansprakelijk zijn voor de vennootschapsbelasting. Indien u twee vennootschappen wilt samenvoegen of ontvoegen dient u dit binnen 3 maanden na het voegingstijdstip schriftelijk aan te vragen bij de belastingdienst. Verbreking van de fiscale eenheid kan niet met terugwerkende kracht.1.21 Vrijstelling goeddoel instelling
Stichtingen en verenigingen zijn belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting indien en voor zover zij een onderneming drijven. De wet bevat met ingang van 2002 een vrijstelling voor lichamen waarbij een sociaal belang voorop staat en de winst hoofdzakelijk wordt behaald met behulp van de arbeid van vrijwilligers. De winst mag in een jaar niet meer bedragen dan 7.500 euro en in de laatste 5 jaren gezamenlijk niet meer dan 37.500 euro. De winst mag worden gecorrigeerd met de fictieve loonkosten voor vrijwilligers. Het wettelijk minimumloon minus de uitbetaalde vergoedingen mag van de winst worden afgetrokken. Tevens mogen instellingen wiens werkzaamheid uitsluitend gericht is op behartiging van het maatschappelijk belang, hun uitgaven ten bate van dit belang, ten laste van de winst brengen. Dit geldt eveneens voor fondsverwervende instellingen.Omzetbelasting1.22 BTW herrekening
Maak een berekening van de af te dragen BTW over het kalenderjaar en vergeet hierbij niet het privé-gebruik (zakelijke auto, gas/water/elektra, verteer etc.) mee te nemen. Indien het gebruik van bedrijfsmiddelen verandert van belaste naar vrijgestelde prestatie of omgekeerd moet een herrekening plaatsvinden van de in aftrek gebrachte BTW. Voor roerende bedrijfsmiddelen is het herrekentijdvak 5 jaar en voor onroerende zaken is dit 10 jaar. Als een onroerende zaak meer dan twee jaar leeg staat dan dient de BTW ook te worden herrekend. Voor huur en verhuur geldt dat de huurder aan verhuurder moet verklaren voor tenminste 90% belaste activiteiten te verrichten wil de huurder voor aftrek van BTW in aanmerking komen. De verklaring moet binnen 4 weken na het einde van het jaar van ingebruikname worden afgegeven.1.23 BTW privé-gebruik auto
De voorbelasting die u op autokosten heeft aangegeven, dient jaarlijks gecorrigeerd te worden voor het privé-gebruik van de auto van de zaak. De belastingdienst hanteert ook bij de omzetbelasting het autokostenforfait. Dat wil zeggen dat u 12% van de forfaitaire bijtelling van de oorspronkelijke cataloguswaarde dient af te dragen. U mag echter ook 12% afdragen over het werkelijk privé-gebruik van zakenauto's van uw medewerkers. Het privé-gebruik is aan te tonen door een sluitende kilometeradministratie. De Hoge Raad heeft toegestaan dat de ANWB-tabellen voor autogebruik als norm worden gehanteerd. U dient na te gaan of de BTW over de werkelijk verreden privé-kilometers lager uitvalt dan de BTW over het autokostenforfait. Indien dit inderdaad het geval is hoeft slechts dit lagere bedrag afgedragen te worden.Sociale verzekering1.24 Sociale verzekeringspremies
Ga na of u voldoende sociale premies heeft afgedragen aan de bedrijfsvereniging. Indien de voorschotnota meer dan 5% afwijkt van de te betalen premies bent u verplicht een aanvullend voorschot aan te vragen en te betalen. Het niet voldoen aan deze verplichting kan leiden tot een boete (veelal 10%) over het te weinig betaalde. De verhoging van het voorschot moet u aanvragen binnen 3 maanden nadat de verhoging bekend is.1.25 Ziekenfondsverzekering
Ga na of u in 2005 verplicht ziekenfonds verzekerd bent of particulier. Sluit tijdig een ziektekostenverzekering af. De drempel voor toetsing of u via het ziekenfonds verzekerd bent is vastgesteld op 33.000 euro (2004: 32.600 euro). De peildatum is 1 november 2004. Voor zelfstandigen is het raadzaam om na te gaan of zij op basis van de verwachte winst uit de onderneming in de toekomst verplicht ziekenfonds verzekerd zijn. Startende ondernemers hebben een keuzemogelijkheid. Het jaar 2004 is van belang voor uw verzekeringsplicht in 2006.Indien een nieuw stelsel voor de zorgverzekering van toepassing wordt zal de winst over 2004 niet meer van belang zijn. Een zelfstandige is verplicht verzekerd indien het toetsinkomen lager is dan 21.050 euro (2004: 20.800 euro). Een goede planning is onmisbaar. Varia
1.26 Schenkingen
Overweeg, in het kader van estate-planning, om aan uw kinderen te schenken. Voor 2004 is 4.143 euro vrijgesteld van schenkingsrecht. Aan kinderen tussen de 18 en 35 jaar kunt u éénmalig 20.711 euro schenken zonder schenkingsrechten verschuldigd te zijn. Bij grote vermogens kunt u wellicht overwegen ook de eerste tariefschijven vol te maken ter besparing van successierechten in de toekomst. Daarnaast zijn er constructies ter besparing van het successierecht. Indien u gebruik wilt maken van een schenking door schuldigerkenning van het geschonken bedrag en dit bedrag pas bij uw overlijden opeisbaar is, dient u een notariële akte op te laten maken. De schenking heeft tot gevolg dat de vordering bij de verkrijger wordt belast in box III en de schuld bij de schenker in mindering komt op het vermogen in box III. Over de schuld dient de schenker daadwerkelijk rente te betalen. Van de schenking aan uw kinderen dient u binnen twee maanden na afloop van het kalenderjaar waarin geschonken is aangifte te doen voor de schenkingsrechten. U kunt besluiten de schenking bij de verkrijger buiten de algemene gemeenschap van goederen te laten vallen. Indien u schriftelijk dit beding opneemt dan komt de schenking bij een scheiding alleen toe aan uw eigen kind.Schenkingen aan uw kleinkinderen kunt u eenmaal in de 24 maanden belastingvrij doen tot een bedrag van 2.486 euro.1.27 T-biljet
Indien u in het verleden geen aangifte voor de inkomstenbelasting heeft gedaan en een teruggave verwacht, dan kunt u alsnog aangifte doen middels een zogenaamd T-biljet. Voor teruggave van inkomstenbelasting kunt u T-biljetten 2001 nog tot 31 december 2004 indienen.1.28 Financieringen
Kijk de financieringsovereenkomsten van de onderneming en van de eigen woning na. Het kan voordelig zijn om extra af te lossen op leningen. Uiteraard uitsluitend indien uw liquiditeitspositie het toelaat of indien de bank bereid is de aflossing opnieuw te financieren. Bij leningen met een lange rentefixatie kan veelal per jaar 10% van de oorspronkelijke hoofdsom boetevrij worden afgelost.1.29 Elektronische aangifte
Met ingang van 1 januari 2005 wordt u als ondernemer verplicht om elektronisch aangifte te doen voor de omzetbelasting en de inkomstenbelasting. De toegangscode is naar alle waarschijnlijkheid reeds aan u uitgereikt. Indien u niet in staat bent op de digitale manier uw aangifte te verzorgen dient u dit tijdig aan ons te melden opdat wij ontheffing voor u aanvragen bij de belastingdienst. 1.30 Samenloop diverse regelingen
In het oerwoud van regelingen dient u er op bedacht te zijn dat het inkomen van u en uw partner van invloed kan zijn op:
tegemoetkoming studiekosten voor uw minderjarige kinderen,
studiefinanciering voor uw kinderen,
verplichte ziekenfondsverzekering voor zelfstandigen,
huursubsidie,
aftrekbaarheid van kosten.
1.31 Ondernemingsstructuur
Sta eens stil bij uw ondernemingsstructuur. Is het verstandig uw eenmanszaak om te zetten naar een vennootschap? Of moet u juist de vennootschap verlaten? Is een man-vrouw firma het juiste alternatief voor u? Naast fiscale aspecten heeft de ondernemingsstructuur invloed op uw juridische positie. Overleg met uw adviseur!1.32 Kinderopvang
Met ingang van 1 januari 2005 moet u zelf een aanvraag voor tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang indienen. Dit kunt u doen bij de belastingdienst.

Meer verzekeringnieuws: verzekeringen vergelijken

pensioen nieuws:

Whitbread doet Marriott-hotels van de hand

Uitgegeven: 14 maart 2005 15:16

LONDEN - Het Britse concern Whitbread doet 46 franchisehotels die opereren onder de naam Marriott van de hand. Ze worden eerst overgedragen aan een nieuwe gezamenlijke onderneming met het Amerikaanse Marriott-concern, inclusief 8300 personeelsleden. Die onderneming moet de hotels binnen twee jaar verkopen. Dat heeft Whitbread maandag bekendgemaakt.

Whitbread krijgt op 5 mei een eerste betaling van 710 miljoen pond sterling (1 miljard euro). Daarvan gaat 400 miljoen naar de eigen aandeelhouders via een speciaal dividend van 135 pence per aandeel.

Het concern gebruikt 100 miljoen pond voor vermindering van het tekort bij zijn pensioenfonds en de rest voor het aflossen van schulden. Whitbread denkt uiteindelijk ten minste een miljard pond (1,45 miljard euro) voor de hotels te ontvangen.


 
 
 
Terug naar Met pensioen